Een eenvoudige vuistregel helpt om het tastbaar te maken:
€250.000 opgebouwd tegen pensioenleeftijd komt ruwweg overeen met €1.000 per maand aan aanvullend inkomen.
Wie €2.000 per maand extra wil, heeft dus eerder richting €500.000 nodig. Dat inzicht alleen al maakt voor veel ondernemers duidelijk waarom hun huidige stortingen onvoldoende zijn.
Van daaruit werk je terug. Wat is je gewenste pensioeninkomen? Welke horizon heb je nog? En hoeveel moet je vandaag storten om dat doel haalbaar te maken?
In de praktijk botsen veel zelfstandigen dan op de 80%-regel. Die wordt vaak gezien als een rem, maar dat hoeft ze niet te zijn. Er bestaan namelijk verschillende manieren om die 80%-grens te berekenen, afhankelijk van aannames rond loon, loopbaan en toekomstige pensioenrechten. Sommige benaderingen laten meer ruimte toe dan andere. Het verschil zit niet in “veilig” of “agressief”, maar in hoe doordacht de berekening is.
Daarnaast speelt leeftijd een belangrijke rol.
Voor jongere zelfstandigen ligt de focus vaak op groei en lange termijn. Voor wie later start of dichter bij pensioen zit, wordt een op maat gemaakte mix belangrijker: minder lange horizon, andere risicohouding en soms een combinatie van pensioenopbouw en alternatieve vermogensopbouw.
Wat altijd geldt: een aanvullend pensioen is fiscaal één van de meest efficiënte manieren om vermogen op te bouwen. Maar het werkt alleen als de stortingen voldoende, regelmatig en afgestemd zijn op je realiteit.
Kortom: de juiste vraag is niet “wat mag ik minimaal storten?”
Maar: “wat heb ik nodig en hoe bouw ik daar vandaag gericht naartoe?”